Cultuursubsidie: wat en waarom?

DSC_0071Wat je hieronder gaat lezen is een opdracht die ik drie jaar geleden heb moeten maken voor mijn opleiding. Ik was gevraagd om het Nederlandse cultuurbeleid en de (toen) nieuwe bezuinigingen en de achtergronden hiervan uit te leggen aan iemand die hier nog nooit van had gehoord. Ik geef toe dat dit niet mijn meest inspirerende tekst is, maar het heeft mij wel aan het denken gezet. Waarom vinden we kunst belangrijk? En moeten we dat echt aan mensen opdringen die er geen zin in hebben? “Het volk” onderwijzen? De droge manager in mij zegt: als je geen geld eraan kan verdienen, is er blijkbaar geen behoefte aan. De kunstliefhebber en student zegt: ‘ja, maar zonder subsidie zouden heel veel initiatieven die ik fantastisch vind wegvallen!’ Ik ga er nog even met mezelf over in gesprek. Veel plezier/sterkte met het gortdroge verhaal!

DSC_0215-2

Sinds 1939 werd er in Nederland belang gesteld in het bevorderen van kunst door de Overheid. Hiervoor zijn in de loop der jaren verschillende legitimaties geweest. Het eerste argument voor overheidsbemoeienis met de kunsten was Beschaving; deze ethische dimensie gaat er vanuit kunst nodig is om een goed mens te zijn. Later werd er gesproken van Volksopvoeding, (ont)Ideologisering, Economisering en de positionering van het kunstbeleid in de context van de creatieve industrie. Het vorige kunstbeleid was op al deze uitgangspunten gebaseerd.

In artikel 2 van de wet op het specifiek cultuurbeleid (1996) staat: “Onze minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografische spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.” Wat dus wil zeggen dat het de taak is van de Overheid cultuurparticipatie te bevorderen onder alle bevolkingsgroepen, in het hele land, daarbij lettend op de representativiteit op het gebied van levensbeschouwingen en de kwaliteit van het werk die door deskundigen vastgesteld moet worden.

De gevolgen van dit beleid waren dat kunst percentueel steeds meer gesubsidieerd werd tot in de jaren zeventig, waar aangezet werd tot ontstatelijking en de doelmatigheid van de subsidie belangrijker werd. Er volgde steeds meer deregulering totdat fondsen opgericht werden en de nadruk van subsidiëren naar investeren verschoof.

In het huidige beleid is een basisinfrastructuur gecreëerd die bestaat uit 7 cultuurfondsen die, aangevuld met geld uit giften, de subsidies verder verdelen over de vele kunstenaarsinitiatieven. Verder zijn er nog ongeveer 130 instellingen die voor vier jaar en 50 instellingen die voor langere tijd rechtstreeks vanaf het ministerie subsidie ontvangen. Deze subsidies hebben minstens één van de volgende vier functies: instandhouding, ontwikkeling (talent, R&D), internationale platforms (festivals) en ondersteuning.[1]

Het kabinet-Rutte heeft de btw op cultuur van 6% naar 19% verhoogd. Verder willen ze het verschil tussen vierjarige instellingssubsidies en aangewezen instellingen met een langdurig subsidieperspectief komt te vervallen. Er komt één nieuwe subsidiecategorie voor alle instellingen. Ook zullen alle fondsen omgevormd worden tot een cultureel investeringsfonds.  Er zal in totaal 200 miljoen minder uitgegeven worden aan kunst. 

Alle instellingen die subsidie willen verkrijgen, zullen moeten voldoen aan de volgende vijf criteria: de instelling trekt voldoende bezoekers; de eigen inkomsten staan in verhouding tot de subsidie; de instelling is toegankelijk voor kinderen en jongeren; de instelling beheert een rijkscollectie[2] of biedt aanbod van (inter)nationale betekenis aan; het conflicteert niet met de focus op hoogwaardige geografische kernpunten[3] in het land.

DSC_0209-2

Voordat deze veranderingen doorgevoerd kunnen worden, moet eerst een wetswijziging plaatsvinden. Omdat dit nogal veel voeten in de aarde heeft, wordt verwacht dat deze regeling pas in 2014 in kan gaan. Tot die tijd bezuinigt kabinet-Rutte 30 miljoen door voor de Cultuurkaart[4], de matchingsregeling[5], de innovatieregeling[6] en de bouw van het Nationaal Historisch Museum geen middelen ter beschikking te stellen. Ook wordt er in 2012 een beperkte, generieke, structurele efficiencykorting op van minimaal 2,2% voor alle posten en sectoren in de cultuurbegroting geheven, en in 2013 een structurele efficiencykorting van 5%.

De insteek voor deze bezuinigingen is dat culturele instellingen en kunstenaars zelf meer ondernemend moeten worden en een groter deel van hun inkomsten zelf moeten verwerven. Bij particulieren moet een culture of giving, bij instellingen een culture of asking ontstaan. Het kabinet-Rutte komt daarom met de aanzet tot een “Geefwet”, die fiscaal voordeel geeft bij schenkingen aan culturele instellingen.

De enige uitzonderingen die Dijkstra in zijn “Uitgangspunten voor cultuurbeleid” noemt zijn talent dat nog niet bij het grote publiek bekend is en erfgoed. Behoud en onderhoud van monumenten blijven taken van de overheid. Daarbij vindt het kabinet-Rutte de beoefening van amateurkunst, het behoud van de volkscultuur en bibliotheekbezoek zeer belangrijk. De uitgaven aan behoud en beheer van cultureel erfgoed, bibliotheken en het Nationaal Archief ontziet het kabinet-Rutte zoveel mogelijk.

De kunstwereld vindt de bezuinigingen op de kunstsector ongefundeerd en buiten proportie. De veronderstelling dat markt, mecenaat en andere overheden als vangnet zullen functioneren voor dat deel van de sector waar het Rijk straks geen verantwoordelijkheid meer wil dragen, lijkt veel te positief opgetekend. Teruglopende inkomsten uit sponsoring, de voorgenomen bezuinigingen van alle overheden en de afstoting van culturele taken door de overheid zullen, volgens Kunsten92, voor een grote afbraak van de culturele voorzieningen zorgen.

Het kabinet-Rutte gaat er vanuit dat de cultuursubsidies steeds oplopend zijn geweest, maar eigenlijk is sinds jaren 60 steeds meer een ondernemende culturele en creatieve sector ontwikkeld. Dijkstra zegt dat een gezonde kunstsector zo min mogelijk afhankelijk is van de overheid en meer van private partijen, maar het stimuleren van een geefcultuur en het verbeteren van het klimaat voor cultureel ondernemers kosten tijd. Volgens Robert Lynch, die onderzoek heeft gedaan naar de geefcultuur in Amerika, duurt dit minstens 20 jaar.

DSC_0013

Daarbij, stelt Kunsten92, is de kunstsector de motor voor stedelijke en economische ontwikkeling. Het CPB heeft berekend dat deze bezuinigingen een miljardenschade kunnen betekenen, omdat het cultuuraanbod in een stad dusdanig  belangrijk is voor het vestigingsklimaat dat de grondprijzen dalen als het cultuuraanbod ontoereikend is. Het aanbod van luxe winkels, een historische binnenstad, horeca en cultuur bepalen gezamenlijk 30% van de grondprijsverschillen.

Verder zal door de bij btw verhoging, volgens berekening van Kunsten92, een vraaguitval van 13.5% optreden. Deze inkomsten worden niet alleen misgelopen door de kunstsector, maar ook door de lokale horeca en, uiteindelijk, de overheid. Waarschijnlijk zijn de inkomsten die de overheid uit de belastingverhoging wil verkrijgen 20% minder dan verwacht.

Als ander argument voor de staatssteun aan kunst wordt de ambassadeursrol die cultuur voor Nederland heeft aangevoerd. Dit kabinet wil Nederland als ambitieus en toonaangevend land profileren in Europa en de rest van de wereld; daarbij hoort een bloeiende cultuursector.

Al deze argumenten worden door de kunstsector gebruikt om het kabinet-Rutte nog eens na te laten denken over bezuinigingen. Ze wil het kabinet vragen om nog eens onderzoek te laten doen naar de effecten die het bezuinigingsbeleid op zullen leveren. Verder wil ze graag een inhoudelijke basis horen voor de nieuwe basisinfrastructuur en hoe het kabinet de focus op cultuureducatie in relatie tot de afschaffing van de cultuurkaart ziet.

 


[1] Zijlstra, H. Uitgangspunten voor cultuurbeleid  verkregen op 12-1-2011 van  http://keweb.hku.nl/upload/f47263/777704_tekst_2._Halbe_Zijlstra__Uitgangspunten-cultuurbeleid.pdf

[2] Dit bekent: de instelling beheert een collectie waarvan de staat eigenaar is, of waarvoor het rijk de verantwoordelijkheid heeft genomen.

[3] De focus van de kunstsubsidies wordt gelegd op geografische kernpunten, waar cultuur en bedrijvigheid samenkomen. De kernpunten investeren zelf ook in de culturele infrastructuur om een groot publiek te trekken.

[4] De cultuurkaart is een manier om jongeren door middel van korting te stimuleren om deel te nemen aan culturele activiteiten.

[5] Een regeling die eigen inkomsten  stimuleert met meer subsidie.

[6]De regeling ondersteunt culturele instellingen die op zoek zijn naar nieuwe manieren om hun producten in de samenleving te manifesteren.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *